Weerspreuken januari

weerspreuken januari

Weerspreuken januari

Weerspreuken en gezegden over “het weer” zijn van alle tijden. Vroeger was er veel belangstelling voor weerspreuken. Boeren kenden deze weerspreuken uit hun hoofd. Ze lieten zich leiden door weerspreuken en raadpleegden deze spreuken voor het zaaien en oogsten van hun velden. Weerspreken bevatten veel waarheid en kloppen meestal wel.

In spreuken over het weer op de korte termijn van het jaar zit dikwijls een kern van waarheid, terwijl deze weersvoorspellingen voor de lange termijn doorgaans onjuist zijn. Toch moeten we toegeven dat de weersvoorspellingen zoals we ze hedendaags kennen er ook meestal naast zitten op lange termijn.

De mooiste weerspreuken – januari

Als het Driekoningen (6 januari) is in’t land, komt de vorst in het vaderland.

Als het vriest op Driekoningendag (6 januari), dan vriest het dertien weken lang.

Met Driekoningen lengt de dag zoveel een geitje springen mag.

Vriest het op de elfde nacht, zes weken vorst wordt er verwacht.

Als het op dertiendag (13de dag nà Kerstmis (6 januari)) vriest, ‘t vriest dertien weken lang.

Geeft Sint-Hilarius (13 januari) zonneschijn, weldra zal het kouder zijn.

Als het op Sint-Hilarius vriest, de boer zes weken niest.

Sint-Pauwel (15 januari) is de eerste der drie harde koppen.

Sint-Anthonius (17 januari) schoon en helder, vult het vat en ook de kelder.

Met Sint-Antonius (17 januari) lengen de dagen zoveel als het eetmaal van een monnik.

Sint-Antone (17 januari) met zijn varken, zoete naam Sebastiaan (20 januari), koud en kil is’t in de kerken en bevroren ligt de baan.

Sint-Antoon (17 januari) en St. Sebastiaan (20 januari) komen met het hardste van de winter aan.

Maakt Sint-Teunis (17 januari) de ijsbrug, St. Sebastiaan (20 januari) slaat ze stuk.

Sint-Antoon (17 januari) en Sint-Sebastiaan (20 januari), hebben harde koppen aan.

Sint-Pieterstoel (18 januari) bevroren, een droog jaar geboren.

Staat Sint-Pieters’stoel te Rome in de sneeuw of in het nat: d’r staat een vochtig jaar te komen, het kan niet missen dat.

Sint-Fabiaan (20 januari) en St. Sebastiaan (20 januari) doen het sap in de bomen gaan.

Als het vriest op Sint-Sebastiaan (20 januari) dan is het op 2 januari. met de vorst gedaan.

Sint-Sebastiaan, die ‘t were maakt, doet het vriezen dat het kraakt.

Sint-Vincentius (22 januari) met zonneschijn, geeft veel koren en ook veel wijn.

Is het op Sint-Paulus (25 januari) schoon en klaar, dan brengt het een gezegend korenjaar.

Is het op Sint-Paulus (25 januari) sneeuw of regen, dan komt een mager jaar ons tegen.

Als Sint-Paulus (25 januari) bekeert, draait de wortel om in den eerd.

Op Sint-Paulus bekering stijgt de winter te paard of breekt hij zijn nek met ‘n reuzenvaart.

Sint-Paulus’Bekeringhe met zonneschijn, is goed voor vruchten, koren en voor wijn.

Als Sint-Paulus (25 januari) zijn kapje in het droge draagt, dan wordt het een goed tarwejaar.

Als de schaatsliefhebbers op Sint-Sulpitius (29 januari) op de schaats staan, zal het weer in ‘t voorjaar van slag zijn.

Geeft Sint-Sulpitius (29 januari) schoon ijs, dan is de lente goed en wijs.

Dooien op Sint-Aldegonde (30 januari), vult de kelder met een vloed van zonde.

Geeft januari een sneeuwtapijt, dan zijn we gauw de winter kwijt.

Valt in januari de sneeuw heel dik, dan is bij ‘t hooien de boer in zijn schik.

Heeft januari koude en droge dagen, dan zal in februari sneeuw u plagen.

Is het in januari zacht, dan krijgen lente en zomer veel groeiende kracht.

Januari zonder sneeuw maar met veel regen, brengt de boer geen zegen.

Als in’t louwmaand mistig is, wordt de lentemaand fris.

Nieuwjaarsnacht schoon en klaar beduidt een vruchtbaar jaar.

Schijnt de zon op nieuw jaar, dan komt er een goed appeljaar.

Als in januari de vorst niet komen wil, dan stellig in april.

Brengt januari ons strenge vorst, dan lijden we ‘s zomers geen honger of dorst.

In januari moet het vriezen, de stenen uit de grond. De boer en zal niet kniezen maar vindt dat heel gezond.

Sneeuw en donder in januari, voelt men vaak het ganse jaar.

Valt in januari veel regen, dan brengt hij de vruchten zegen.

In januari veel regen en snee, doet aan ‘t gewas veel wee.

In januari veel regen en weinig snee, doet bergen, dalen en bomen wee.

Draagt Nieuwjaarsmaand een sneeuwwit kleed, dan is de zomer zeker heet.

Als de kat in januari in de zon ligt, ligt ze in februari achter de kachel.

Als de dagen lengen, begint de winter te strengen.

Als in januari de muggen zwermen, dan kun je in maart de oren wermen.

Geeft januari een muggenzwerm, dan hoort ge in de Oogstmaand licht gekerm.

Dansen de muggen in januaar, dan wordt de boer een bedelaar.

Gelijk januari, zo ook juli.

Nevels in januari opgestaan, brengt een natte lente aan.

Op een milde januari volgt vaak een gure lente en een warme zomer.

Onweert het in januaar, dondert het gans het jaar.

Geeft januari géén wintervlagen, dan zal februari ons daarmee plagen.

Is het in januari nat, ledig blijven schuur en vat.

Is januari te warm, dat dan de hemel zich erbarm!

Januari zonder regen, is voor de boerenstand een zegen.

Is januari mild en klaar, dan volgt een gure lente dit jaar.

Knapt januari niet van de kou, dan zit men ‘s zomers in de rouw.

Stoot de mol in Januaar, kijk van kou in mei niet raar.

Staat groen en fris in januari het gras, het hele jaar geeft vaak een schraal gewas.

Als het gras groeit in januaar’, is het slecht voor ‘t ganse jaar.

Beter een dief op zolder dan mooi weer in januari.

Liever een wolf op een mesthoop, dan een man in zijn hemd in januari.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Share on LinkedInEmail this to someone